15-2-2010
Zes op de tien Amsterdammers sporten minimaal één keer in de maand. Dit aandeel lag drie jaar eerder iets hoger. Daar staat tegenover dat de jeugd vaker lid is van een sportvereniging en dat de tevredenheid over de sportvoorzieningen is gestegen.
O+S heeft onderzoek gedaan naar het sportgedrag van Amsterdammers. De uitkomsten daarvan staan in de Sportmonitor 2009. In 1999, 2003 en 2006 werd het sportgedrag ook in beeld gebracht. Daarmee geeft de Sportmonitor inzicht in de ontwikkeling van sportparticipatie in Amsterdam.
In 2009 sporten zes op de tien Amsterdammers (61%) minimaal één keer in de maand. Dit aandeel is hoger dan in 2003 (56%), maar lager dan in 2006 (65%). De recente daling wordt veroorzaakt doordat sporters in de leeftijd van 35 tot 55 jaar minder zijn gaan sporten. Mensen in deze leeftijdsgroep zijn vooral minder aan wandelsport gaan doen. De sportdeelname van allochtonen is nog steeds lager dan die van autochtonen, ook onder de jeugd.
Fitness blijft de meest populaire sport onder Amsterdamse sporters. De populariteit is gestegen van 19% in 2003 naar 32% in 2009. Op plaats twee staat zwemmen met 15%. Voetbal is uit de top 3 weggevallen en hardlopen is ervoor in de plaats gekomen. Bij jongeren onder de 18 jaar is voetbal nog steeds de populairste sport.
In 2006 is het programma Meedoen alle jeugd door sport gestart met als doel kinderen en jongeren uit achterstandswijken meer te laten sporten bij sportverenigingen. Deze impuls is terug te zien in de cijfers van de Sportmonitor. Onder kinderen van 6 tot 13 jaar is het lidmaatschap van een sportvereniging gestegen van 45% naar 50% en onder jongeren van 13 tot 18 jaar van 39% naar 47%. Deze stijging komt duidelijk naar voren onder voetballende jongens van Turkse en Marokkaanse afkomst. In 2006 was 64% van deze voetballers lid van een sportvereniging, nu is dat 75%.
Zeven op de tien Amsterdamse sporters (71%) is tevreden of zeer tevreden over de sportvoorzieningen in de stad. Dit aandeel lag in 2006 iets lager (68%). De tevredenheid over de sportvoorzieningen in het eigen stadsdeel en in de woonbuurt liggen iets lager (respectievelijk 61% en 63%), maar ook die zijn toegenomen ten opzichte van 2006 (beide 58%).